Appellante kreeg een boete van €48.000 wegens het inzetten van arbeidskrachten van een Pools uitzendbureau dat niet in het Nederlandse Handelsregister was ingeschreven, wat een overtreding van artikel 7a van de Waadi vormt.
De rechtbank matigde de boete tot €32.000 en oordeelde dat de registratieplicht geen onaanvaardbare belemmering vormt voor het vrij verrichten van diensten binnen de EU. Appellante stelde dat de boete disproportioneel was en dat artikel 7a van de Waadi in strijd is met EU-recht.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat de registratieplicht en het verbod gerechtvaardigde beperkingen zijn ter bescherming van werknemers en bestrijding van fraude. De Raad oordeelde dat de boetenormbedragen in de beleidsregels te weinig differentiëren naar verwijtbaarheid en paste de boete aan naar 50% van het normbedrag minus 5% wegens termijnoverschrijding, wat resulteerde in €15.200.
De uitspraak vernietigt het eerdere oordeel over de boetehoogte en bevestigt de rest van de uitspraak, inclusief proceskostenveroordeling ten gunste van appellante.