Uitspraak
18.2507 WAJONG
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1968 in voormalig Joegoslavië, vroeg in 2012 een Wajong-uitkering aan. Het UWV weigerde deze omdat zij op haar zeventiende verjaardag niet legaal in Nederland of de EU verbleef. Na bezwaar en beroep werd dit besluit bevestigd door rechtbank en Raad.
In 2016 verzocht appellante het UWV haar aanvraag opnieuw te beoordelen op basis van nieuwe feiten en omstandigheden, waaronder verklaringen en een huwelijksakte. Het UWV wees dit verzoek af, omdat de stukken niet als nieuw konden worden aangemerkt. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het bezwaar ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat de afwijzing onredelijk was en dat de stukken wel degelijk nieuwe feiten bevatten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat drie van de vier verklaringen al eerder waren ingediend en de vierde verklaring en huwelijksakte ook eerder hadden kunnen worden overgelegd. Er was geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
De Raad bevestigde dat het UWV het verzoek terecht had afgewezen en dat de stukken onvoldoende onderbouwing boden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot afwijzing van de Wajong-uitkering wordt bevestigd.