ECLI:NL:CRVB:2015:2939
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering AAW-uitkering wegens ontbreken duurzame band ingezetenschap Nederland in 1985
Appellante, geboren in 1968 in voormalig Joegoslavië, vroeg een AAW-uitkering aan op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde de uitkering omdat appellante op haar 17e verjaardag in 1985 niet legaal in Nederland woonde en niet als ingezetene kon worden beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij al in 1985 een duurzame persoonlijke band met Nederland had, onder meer omdat zij volgens eigen zeggen vóór haar 17e verjaardag getrouwd was en in Nederland woonde, en dat zij kort na haar 17e verjaardag een operatie in Nederland had ondergaan. Zij overlegde verklaringen van familie en vrienden ter ondersteuning.
De Raad oordeelde dat uit de feiten en beschikbare gegevens niet kan worden geconcludeerd dat appellante in 1985 als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt. De verklaringen waren onvoldoende concreet en er was geen bewijs van huwelijk of verblijfsvergunning. De operatie in Nederland duidt wel op enige band, maar niet op een duurzame persoonlijke band die ingezetenschap rechtvaardigt.
Daarom werd het bestreden besluit gehandhaafd en de weigering van de AAW-uitkering bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de AAW-uitkering omdat appellante in 1985 niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt.