ECLI:NL:CRVB:2020:1745
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op ouderdomspensioen voor ongehuwde wegens ontbreken duurzaam gescheiden leven
Appellant, sinds 1977 gehuwd, ontving vanaf juli 2015 een ouderdomspensioen voor gehuwden. Na verhuizing van zijn echtgenote in juli 2016 kende de Sociale Verzekeringsbank (Svb) hem een pensioen toe voor ongehuwden, uitgaande van duurzaam gescheiden leven. Na onderzoek herzag de Svb dit besluit en eiste terugvordering van te veel ontvangen pensioen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond, omdat niet ondubbelzinnig was vastgesteld dat sprake was van duurzaam gescheiden leven. Appellant stelde in hoger beroep dat hij en zijn echtgenote hun relatie goed hielden om een vechtscheiding te voorkomen en verwees naar diverse uitspraken ter ondersteuning.
De Raad oordeelde dat appellant en zijn echtgenote financieel en sociaal nog sterk verweven waren, met gezamenlijke activiteiten en financiële regelingen. Dit wijkt af van de vaste rechtspraak over duurzaam gescheiden leven. Daarom is appellant niet aan te merken als ongehuwde en had hij geen recht op het hogere pensioen voor ongehuwden. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op ouderdomspensioen voor ongehuwden omdat niet is vastgesteld dat hij duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote.