Uitspraak
18 398 PW, 18/1118 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 januari 2018 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand sinds 1997, later samen met zijn partner. Tijdens een hercontrole in 2016 werden kasstortingen op bankrekeningen ontdekt die niet waren gemeld, en bleek dat appellant een auto contant had gekocht zonder de herkomst van het bedrag te kunnen aantonen.
Het college herzag en trok de bijstand in voor diverse periodes en vorderde terugbetalingen. De rechtbank vernietigde deels deze besluiten, waarna het college een nieuw besluit nam. In hoger beroep werd onder meer betwist of de kasstortingen als inkomen moesten worden aangemerkt en of de terugvordering terecht was.
De Raad oordeelde dat kasstortingen als inkomen gelden en dat de inlichtingenplicht was geschonden. De terugvordering was verplicht en de zesmaandenjurisprudentie was niet van toepassing. Ook de intrekking wegens de onduidelijke aanschaf van de auto werd bevestigd omdat appellant geen verifieerbare gegevens over de herkomst van het contante bedrag had geleverd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot herziening, intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.