ECLI:NL:CRVB:2013:2149
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting bij aankoop bedrijfsauto
Appellanten ontvingen sinds 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een signaal dat appellant sinds oktober 2010 een bedrijfsauto op zijn naam had staan, stelde het dagelijks bestuur een onderzoek in. Hieruit bleek dat appellant de auto contant voor €7.500,- had aangeschaft en een voorgenomen inspectie had geweigerd.
Op basis van deze bevindingen trok het dagelijks bestuur de bijstand per 7 februari 2011 in en verklaarde het bezwaar hiertegen ongegrond, omdat appellanten geen deugdelijke bewijsstukken over de financiering konden overleggen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogden appellanten dat zij wel recht hadden op bijstand, onder meer met verklaringen over de aankoop. De Raad oordeelde dat schending van de inlichtingenplicht een geldige grond is voor intrekking indien onduidelijk blijft of recht op bijstand bestaat. Appellanten slaagden er niet in aannemelijk te maken dat zij recht hadden op bijstand, mede omdat de verklaring over de herkomst van het geld niet verifieerbaar was.
De Raad bevestigde daarom de intrekking van de bijstand met ingang van 7 februari 2011. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.