ECLI:NL:CRVB:2020:1058
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.F. Wagner
- J.T.H. Zimmerman
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en boete wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande en stond ingeschreven op het opgegeven uitkeringsadres. Na een anonieme melding onderzocht het college of zij een gezamenlijke huishouding voerde met een man, X, hetgeen zij niet had gemeld. Het college trok de bijstand per 1 mei 2016 in en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat er geen sprake was van wederzijdse zorg vanwege haar slechte gezondheid en dat de boete onterecht was. De Raad oordeelde dat er wel sprake was van een gezamenlijke huishouding, omdat beide partijen zorg aan elkaar verleenden, waaronder het delen van kosten en huishoudelijke taken.
De Raad verwierp het beroep op discriminatie en concludeerde dat appellante verwijtbaar had gehandeld door de gezamenlijke huishouding niet te melden. De opgelegde boete van €243,- werd als evenredig beoordeeld. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en de bijstandintrekking en boete gehandhaafd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de opgelegde boete wegens het verzwegen van een gezamenlijke huishouding worden bevestigd.