Uitspraak
OVERWEGINGEN
Kamerstukken II, 1993-1994, 22 545,
Kamerstukken II, 1994-1995, 24 258, nr. 3, blz. 2-3). De conclusie van de regering in de memorie van antwoord in de Eerste Kamer was en bleef dat er geen sprake is van wezenlijke verschillen tussen twee samenwonende broers en zussen en twee samenwonende vrienden of vriendinnen (
Kamerstukken I, 1995-1996, 24 258, nr. 106b, blz. 2).In zijn uitspraak van 24 november 1998, ECLI:NL:CRVB:1998:AA9003, inzake de toepassing van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw heeft de Raad onder meer geoordeeld “ (…) dat, gelet op het doel en inhoud van de wettelijke regeling omtrent de gezamenlijke huishouding, er geen reden is de gezamenlijke huishouding van twee bloedverwanten in de tweede graad die valt onder de wettelijke omschrijving van dit begrip, zonder meer anders te behandelen dan andere gevallen waarin twee personen een gezamenlijke huishouding voeren (…)” en “ (…) dat de door de regering gegeven rechtvaardigingsgrond voor de uitzondering met betrekking tot bloedverwanten in de eerste graad - de wederzijdse afhankelijkheid, die naar het oordeel van de Raad ook tot uitdrukking komt in de krachtens het Burgerlijk Wetboek bestaande wederzijdse verplichtingen van ouders en kinderen tot het verstrekken van levensonderhoud - geen wezenlijk kenmerk is van de relaties tussen bloedverwanten in de tweede graad (…)”.
(Kamerstukken II, 2002-2003, 28 870, nr. 62)is alsnog ook ten aanzien van bloedverwanten in de tweede graad, indien bij één van hen sprake is van zorgbehoefte, een uitzondering op de hoofdregel - van gelijkstelling met gehuwden - aanvaard. Aldus werd een onderscheid gecreëerd met anderen die een gezamenlijke huishouding voeren en waarbij bij één van de partners sprake is van zorgbehoefte.
Kamerstukken II, 2002-2003, 28 600 XV, nr. 85, blz.2). De staatssecretaris heeft voorts naar aanleiding van amendement nr. 62 van Noorman-Den Uyl/Bakker, dat voorziet in een uitzondering op de gelijkstelling met gehuwden als sprake is van een zorgbehoefte bij één van de samenwonende bloedverwanten in de tweede graad nog opgemerkt, dat dit voorstel leidt tot een ongelijke behandeling van alle andere ongehuwd samenwonenden in de WWB, waarvan er één zorgbehoeftig is. Noorman-Den Uyl heeft het amendement verdedigd met het argument dat het om een klemmend maatschappelijk probleem gaat en dat het een relatief kleine groep mensen betreft. De staatssecretaris heeft daarop nogmaals gesteld dat sprake is van een ongelijke behandeling ten opzichte van ongehuwd samenwonenden als het zo wordt geregeld. Hij wilde geen hardheidsclausules
(Kamerstukken II, 2002-2003, 28 870 nr.62,
Kamerstukken II, 2002-2003, 28 870 nr.62, blz. 87-5091).