ECLI:NL:CRVB:2019:778
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand bij schending inlichtingenplicht en rechtmatig verblijf
Appellante, met Kaapverdische nationaliteit, ontving bijstand sinds 2012. Na beëindiging van haar verblijfsrecht in 2014 en afwijzing van bezwaar, werd bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 2014 tot 2015. De rechtbank stelde de terugvordering gedeeltelijk vast, maar appellante ging in hoger beroep.
De Raad beoordeelde of appellante de inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat haar verblijfsstatus was beëindigd. Hoewel het college de basisregistratie persoonsgegevens kon raadplegen, rustte op appellante een zelfstandige meldingsplicht. De Raad oordeelde dat appellante deze plicht had geschonden.
Echter, appellante stelde dat zij procedureel rechtmatig verblijf had gedurende de periode van beroep tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning, mede vanwege een voorlopige voorziening die uitzetting opschortte. De Raad bevestigde dat procedureel rechtmatig verblijf ook geldt tijdens beroep bij de rechter met schorsende werking, en dat appellante daardoor recht op bijstand had gedurende de gehele periode.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, herroept het besluit tot terugvordering, verklaart het hoger beroep gegrond en veroordeelt het college in de proceskosten. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot terugvordering van bijstand wordt vernietigd wegens procedureel rechtmatig verblijf van appellante gedurende de gehele periode.