Betrokkene had een uitkering op grond van de Wajong 2010 aangevraagd, welke door het UWV werd geweigerd op basis van de stelling dat zij met haar beperkingen passende functies kon vervullen en meer dan 75% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Na een tussenuitspraak en aanvullend arbeidskundig onderzoek werden drie voorbeeldfuncties geselecteerd: assemblagemedewerker metaalwaren, besteller post/pakketten en machinebediende inpak/verpakkingsmachine.
De Raad achtte onvoldoende onderbouwd dat betrokkene de functie besteller post/pakketten kon uitvoeren, mede vanwege haar beperkingen die een voorspelbare en routine-afhankelijke werksituatie vereisen. Hierdoor resteerden onvoldoende geschikte functies, wat leidde tot de conclusie dat het besluit van het UWV onvoldoende grondslag had en vernietigd moest worden.
De Raad stelde vast dat betrokkene vanaf 16 weken na 22 juli 2014 volledig arbeidsongeschikt was en recht heeft op arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wajong 2010. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn in de procedure met ruim een jaar was overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding van € 1.500,-. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en wettelijke rente, en de Staat tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.