ECLI:NL:CRVB:2019:289
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning op basis van Wmo 2015
Appellant, geboren in 1950 en met diverse aandoeningen, ontving van het college een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning van drie uur per week op grond van de Wmo 2015. Na een melding van onvoldoende ondersteuning volgde een huisbezoek en een onderzoeksverslag dat als aanvraag werd aangemerkt. Het college wees de maatwerkvoorziening toe voor de periode van 18 juli 2016 tot 12 augustus 2018.
Appellant maakte bezwaar tegen de omvang van de toegekende ondersteuning, stellende dat het onderzoek onvolledig was en de tijdsduur onjuist was vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het onderzoek voldeed aan de Wmo-eisen en dat het college terecht uitging van de normtijden van het CIZ-protocol, rekening houdend met eigen mogelijkheden en mantelzorg.
In hoger beroep voerde appellant soortgelijke bezwaren aan, maar de Raad concludeerde dat het onderzoek adequaat was en dat het college binnen de kaders van het CIZ-protocol bleef. Bovendien was de toegekende tijd passend gezien de persoonlijke situatie van appellant en zijn zelfredzaamheid. Nieuwe medische adviezen waren niet relevant voor de bestreden periode.
De Raad oordeelde dat het motiveringsgebrek in het bestreden besluit met toepassing van de Awb-artikelen kon worden gepasseerd, omdat geen belanghebbende werd benadeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning van drie uur per week juist is vastgesteld.