ECLI:NL:CRVB:2019:276
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond wegens onvoldoende medewerking aan onderzoek jeugdhulp
Appellante had een aanvraag ingediend voor jeugdhulp bij het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland, die deze aanvraag op 4 juni 2015 afwees en deze afwijzing bij besluit van 9 december 2015 handhaafde. De Raad vernietigde eerder een eerdere uitspraak en bepaalde dat het college een nieuwe beslissing moest nemen.
Bij het bestreden besluit van 27 september 2017 handhaafde het college de afwijzing van de aanvraag omdat appellante niet de noodzakelijke medewerking had verleend voor het onderzoek dat vereist is om de behoefte aan jeugdhulp vast te stellen. Appellante stelde in beroep dat zij wel integraal had meegewerkt en dat het college daardoor een inhoudelijk besluit had kunnen nemen.
De Raad overwoog dat het college appellante meerdere malen had verzocht om contact op te nemen en medewerking te verlenen, waaronder het voeren van een persoonlijk gesprek en het geven van toestemming voor het opvragen van informatie bij hulpverleners. Appellante verscheen niet op de uitnodiging voor een gesprek zonder bericht van verhindering.
De Raad concludeerde dat het college terecht had vastgesteld dat appellante niet de medewerking had verleend die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de Jeugdwet, waardoor de behoefte aan jeugdhulp niet kon worden vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellante onvoldoende medewerking heeft verleend voor het vaststellen van de jeugdhulpbehoefte.