Appellante diende een aanvraag bijstand in op grond van de Participatiewet, die aanvankelijk werd afgewezen maar later werd toegekend met nabetaling en wettelijke rente. Het college had de wettelijke rente berekend vanaf 1 januari 2015, terwijl appellante stelde dat dit vanaf de datum van toekenning moest. Tevens was er discussie over de hoogte van de woonkostentoeslag en verzoeken om inzage in digitale dossiers en dwangsommen.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de besluiten ongegrond en was onbevoegd over inzageverzoeken. In hoger beroep oordeelt de Raad dat de vrijlatingsregeling alsnog moet worden toegepast, dat de wettelijke rente moet worden berekend vanaf het moment van verzuim na de beslistermijn, en dat het college de berekening van de rente moet herzien. Het college handelde correct volgens het beleid bij de woonkostentoeslag, maar moest wel rekening houden met kosten van centrale verwarming en liftinstallatie, wat leidde tot een verhoging van de toeslag naar €205,49 per maand.
Verzoeken om dwangsommen wegens niet tijdig beslissen op schadevergoedingsverzoeken werden afgewezen omdat deze niet als aanvragen in de zin van de Awb gelden. De Raad verklaart zich onbevoegd over dwangsommen en inzageverzoeken op grond van de Wbp en zendt deze door naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De eerdere uitspraken worden vernietigd en het college wordt opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt appellante het betaalde griffierecht vergoed.