ECLI:NL:CRVB:2019:2198
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.B. Kleiss
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herhaalde aanvraag WAZ-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of veranderde omstandigheden
Appellant, die sinds 1995 een meubelzaak exploiteerde en rechten studeerde, vroeg in 1999 een WAZ-uitkering aan. De aanvraag werd in 2001 afgewezen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Na een eerdere niet-ontvankelijke bezwaarprocedure, diende appellant in 2015 een herhaalde aanvraag in, die eveneens werd afgewezen omdat de WAZ per 1 augustus 2004 was afgeschaft en appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangetoond.
De rechtbank oordeelde dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb Pro had aangevoerd en dat de medische stukken geen toename van arbeidsongeschiktheid vóór 1 augustus 2004 aannemelijk maakten. Het verzoek om herziening voor de toekomst werd afgewezen vanwege het vervallen van de WAZ.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische klachten na 2000 waren toegenomen en dat hij daardoor recht had op een WAZ-uitkering. Hij overlegde medische stukken en een getuigenis van zijn broer. De Raad stelde vast dat de medische gegevens geen nieuwe feiten bevatten en dat de toename van beperkingen na 1 augustus 2004 niet relevant is voor de WAZ. Het verzoek om een deskundige te benoemen werd afgewezen omdat geen sprake was van onpartijdigheid of gebrek aan hoor en wederhoor.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af wegens het ontbreken van een redelijke termijnoverschrijding. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De herhaalde aanvraag WAZ-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.