ECLI:NL:CRVB:2019:1730
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WW-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden in café
Appellante ontving vanaf 17 december 2014 een WW-uitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Naar aanleiding van een fraudemelding startte het UWV een onderzoek waaruit bleek dat appellante vanaf 1 september 2014 werkzaamheden verrichtte in een café, welke zij niet had gemeld. Het UWV besloot daarom de uitkering te herzien en het te veel betaalde bedrag terug te vorderen.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de werkzaamheden op geld waardeerbaar waren en dat appellante de inlichtingenplicht had geschonden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij slechts een vriendendienst verrichtte zonder inkomsten en dat het rapport onvoldoende steun bood voor terugvordering over de gehele periode. Tevens stelde zij dat er dringende redenen waren om terugvordering achterwege te laten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht en dat de werkzaamheden economisch relevant waren, ongeacht het al dan niet ontvangen van een vergoeding. De Raad verwierp het beroep op de motiveringsplicht en dringende redenen, omdat de situatie van appellante niet uitzonderlijk was. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WW-uitkering terecht is herzien en teruggevorderd wegens niet gemelde werkzaamheden.