ECLI:NL:CRVB:2019:1620
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.S. van der Kolk
- E. Dijt
- R.B. Kleiss
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling loongerelateerde WGA-uitkering en weigering IVA-uitkering
Werknemer is sinds 27 juli 2010 arbeidsongeschikt geworden door een hersenbloeding en heeft sinds 2013 een WIA-uitkering. In 2015 is de mate van arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld op 37,9% en werd een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Appellante, de werkgever, stelde dat werknemer recht had op een IVA-uitkering vanwege volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat werknemer ondanks cognitieve beperkingen en tempoverlies van 40% nog in staat was om de werkzaamheden van adviseur B te verrichten, waarbij de arbeidsprestatie voor 60% werd volgehouden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid terecht was.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat de feitelijke werkzaamheden passend waren en dat de genoten verdiensten representatief zijn voor de resterende verdiencapaciteit. Het verzoek om een IVA-uitkering werd afgewezen omdat geen aanwijzingen bestonden voor volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van een loongerelateerde WGA-uitkering met 37,9% arbeidsongeschiktheid en wijst het verzoek om een IVA-uitkering af.