ECLI:NL:CRVB:2018:9
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor woonkosten tijdens detentie wegens ontbreken van zeer dringende redenen
Appellant, die sinds 2010 bijstand ontving, vroeg bijzondere bijstand aan voor doorbetaling van woonkosten tijdens zijn detentie vanaf 7 augustus 2015. Het college wees de aanvraag af wegens het ontbreken van noodzaak, een besluit dat door de rechtbank werd bevestigd.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat artikel 13 van Pro de Participatiewet het recht op bijstand tijdens detentie uitsluit, tenzij zeer dringende redenen aanwezig zijn. Deze zeer dringende redenen vereisen een acute noodsituatie, zoals een levensbedreigende situatie of blijvend ernstig letsel. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn situatie aan deze criteria voldoet; zijn dakloosheid betreft de periode na detentie.
Het college hanteert een buitenwettelijk begunstigend beleid waarbij bijzondere bijstand voor woonkosten tijdens detentie alleen wordt toegekend als er geen dreigend woningverlies is. Omdat appellant een huurachterstand had en de woning dreigde te verliezen, werd de aanvraag terecht afgewezen. De Raad bevestigt dat het beleid consistent is toegepast en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor woonkosten tijdens detentie wordt afgewezen wegens het ontbreken van zeer dringende redenen.