ECLI:NL:CRVB:2018:779
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging hoofdverblijf op uitkeringsadres en gezamenlijke huishouding voor WWB-terugvordering
De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland over de terugvordering van bijstand op grond van de WWB. Het college van burgemeester en wethouders van Lelystad had bijstand en inkomensvoorziening ingetrokken en teruggevorderd van A. en appellant, omdat zij een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres zonder dit te melden.
De Centrale Raad beoordeelt of appellant in de periode van geboortedag 2010 tot en met 21 september 2011 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres bij A. en daarmee een gezamenlijke huishouding voerde. Uit verklaringen van appellant en A., waarnemingen van de sociale recherche en andere feiten blijkt dat appellant regelmatig op het uitkeringsadres verbleef, zijn persoonlijke spullen daar had en het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven daar lag.
De Raad wijst erop dat het hoofdverblijf wordt bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden en dat inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie niet doorslaggevend is. De motieven en aard van de relatie zijn niet relevant. Appellant kon onvoldoende onderbouwen dat hij slechts tijdelijk verbleef of dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien.
Daarom bevestigt de Centrale Raad de uitspraak van de rechtbank dat appellant zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had en dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, waardoor de terugvordering terecht is vastgesteld. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, waardoor de terugvordering terecht is.