ECLI:NL:CRVB:2018:565
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen het besluit van het CAK om zijn bezwaar tegen de aanmelding als wanbetaler en de daarmee samenhangende bestuursrechtelijke premie niet-ontvankelijk te verklaren. Het bezwaar richtte zich tegen het besluit van 11 april 2016 waarbij appellant werd aangemeld als wanbetaler en vanaf 1 mei 2016 een bestuursrechtelijke premie verschuldigd was.
De rechtbank Noord-Nederland had het beroep ongegrond verklaard, stellende dat tegen de verschuldigdheid of hoogte van de bestuursrechtelijke premie geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat, conform artikel 8:5 van Pro de Awb en de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Dit betekent dat de civiele rechter bevoegd is voor geschillen over de aanmelding als wanbetaler.
Appellant voerde aan dat de procedure niet juist was gevolgd en dat CAK onderzoek had moeten doen naar de melding van de zorgverzekeraar. Tevens stelde hij dat het besluit onterecht was omdat hij bereid was de premie te betalen. De Raad oordeelde echter dat tegen het besluit geen bezwaar en beroep openstaat en dat de civiele procedure de toegang tot de rechter waarborgt. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant tegen de bestuursrechtelijke premie is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep wordt afgewezen.