Betrokkenen, burgerambtenaren bij Defensie, kregen een bovenwettelijke uitkering die eindigde bij het bereiken van 65 jaar. Door de verhoging van de AOW-leeftijd tot 67 jaar ontstond een inkomensgat. De rechtbank verklaarde het onderscheid naar leeftijd verboden en bepaalde dat de uitkering doorloopt tot de AOW-leeftijd.
De Minister van Defensie ging in hoger beroep en stelde dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak had voorzien. De Raad bevestigde dat de wettelijke definitie van pensioengerechtigde leeftijd in het BWDEF verwijst naar 65 jaar, niet naar de verhoogde AOW-leeftijd. De rechtbank had niet primair mogen besluiten maar de Minister de ruimte moeten geven het gebrek te herstellen.
De Minister stelde een regeling voor met een tegemoetkoming AOW-hiaat, compensatie voor vervroegd pensioen en een aanvullende maatregel tot 90% van de gerechtvaardigde aanspraak. De Raad oordeelde dat deze regeling geen verboden onderscheid meer oplevert en dat de compensatie ook geldt als men het pensioen niet vervroegd laat ingaan.
Betrokkenen voerden aan dat de regeling onderscheid maakt naar burgerlijke staat, maar de Raad volgde dit niet. De Raad vernietigde het deel van de uitspraak waarin de rechtbank zelf in de zaak voorzag, bevestigde de rest en kende de nadere voorzieningen toe. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.