ECLI:NL:CRVB:2018:4116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep individuele inkomenstoeslag gemeente Rotterdam
Appellante diende op 10 april 2016 een aanvraag in voor een individuele inkomenstoeslag bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. De aanvraag werd aanvankelijk op 24 augustus 2016 afgewezen, maar na bezwaar toegekend bij besluit van 23 december 2016 op basis van de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de hoogte van de toeslag van € 50,- niet gemotiveerd was in relatie tot het armoedebeleid en dat het ontbreken van differentiatie naar leefvorm onevenredig was, omdat bijvoorbeeld gezinnen met kinderen minder bestedingsruimte zouden hebben dan alleenstaanden.
De Centrale Raad van Beroep verwijst naar eerdere uitspraken waarin is geoordeeld dat de wetgever geen minimum- of maximumhoogte van de toeslag heeft beoogd en geen differentiatie naar leefvorm vereist. De Raad oordeelt dat de Verordening en het besluit van het college de terughoudende toetsing kunnen doorstaan en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.