ECLI:NL:CRVB:2018:4114
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering individuele inkomenstoeslag wegens niet langdurig laag inkomen
Appellante diende een aanvraag in voor een individuele inkomenstoeslag over 2015 en 2016. Het college wees deze af omdat over 2015 geen toeslag kan worden verleend voor een periode vóór de aanvraagdatum en over 2016 omdat appellante niet gedurende de referteperiode van vijf jaar een langdurig laag inkomen had. Tevens was een eerdere terugvordering van bijstand niet binnen de referteperiode afgelost.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het college het motiveringsbeginsel niet heeft geschonden door artikel 44 PW Pro niet expliciet te vermelden, en dat de referteperiode van vijf jaar niet onrechtmatig is. De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin deze punten zijn bevestigd.
De Raad overweegt dat de beëindiging van de relatie met de echtgenoot in 2012 niet leidt tot een ander oordeel over het inkomen in de referteperiode. Een beoordeling van het zicht op inkomensverbetering was niet meer aan de orde. Er zijn geen concrete feiten of omstandigheden gesteld die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de individuele inkomenstoeslag wegens het ontbreken van langdurig laag inkomen en onvoldoende grond voor toepassing hardheidsclausule.