ECLI:NL:CRVB:2010:BO0479
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- R. Kooper
- C.H. Bangma
- Rechtspraak.nl
Toekenning langdurigheidstoeslag op grond van WWB ondanks terugvordering toeslag WAO-uitkering
Betrokkene ontving een WAO-uitkering met een toeslag wegens een inwonende minderjarige dochter. Het UWV trok deze toeslag in en vorderde het teveel ontvangen bedrag terug nadat de dochter 18 werd. Betrokkene vroeg vervolgens een langdurigheidstoeslag aan, die door het college werd afgewezen omdat zij in de referteperiode een inkomen hoger dan de bijstandsnorm zou hebben genoten.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, omdat ook teruggevorderde toeslagen in het inkomen werden betrokken. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat voor het bepalen van het inkomen in de referteperiode moet worden uitgegaan van het netto-inkomen dat feitelijk is ontvangen, en dat in dit geval de teruggevorderde toeslag buiten beschouwing moet blijven.
De Raad stelde vast dat betrokkene aan de inkomenseis van artikel 36 WWB Pro voldeed en bevestigde het nieuwe besluit van het college waarin de langdurigheidstoeslag werd toegekend. Het hoger beroep van het college werd ongegrond verklaard en het griffierecht werd opgelegd aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de langdurigheidstoeslag wordt toegekend.