ECLI:NL:CRVB:2018:4094
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep op individuele inkomenstoeslag met uniforme toeslaghoogte
Appellanten hebben op 8 april 2016 een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag, die aanvankelijk werd afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Na bezwaar kende het college alsnog een toeslag toe op basis van de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat de toeslag van €50,- onvoldoende gemotiveerd is ten opzichte van het armoedebeleid en dat het hanteren van één toeslag voor alle leefvormen onevenredig is, omdat bijvoorbeeld gezinnen minder bestedingsruimte zouden hebben dan alleenstaanden. De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat de wetgever geen minimum- of maximumhoogte van de toeslag heeft beoogd en geen differentiatie naar leefvorm voorschrijft.
De Raad oordeelt dat de Verordening voldoende gemotiveerd is en dat de keuze voor een uniforme toeslag de toets van terughoudende beoordeling kan doorstaan. De gronden van appellanten zijn in eerdere zaken gemotiveerd beoordeeld en verworpen. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.