ECLI:NL:CRVB:2018:4078
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit individuele inkomenstoeslag zonder differentiatie naar leefvorm
Appellante heeft op 8 april 2016 een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag, welke aanvankelijk werd afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Na bezwaar kende het college alsnog de toeslag toe op basis van de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarna appellante in hoger beroep ging. Zij voerde aan dat de hoogte van de toeslag van €50 niet gemotiveerd is in relatie tot het armoedebeleid en dat het hanteren van één toeslag voor alle leefvormen onevenredig is, omdat bijvoorbeeld gezinnen met kinderen minder bestedingsruimte zouden hebben dan alleenstaanden.
De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin is geoordeeld dat de wetgever geen minimum- of maximumhoogte van de toeslag heeft beoogd, noch differentiatie naar leefvorm. De Verordening is gemotiveerd vastgesteld en de keuze voor één toeslag is terughoudend getoetst en geaccepteerd.
De Raad ziet geen aanleiding om anders te oordelen dan in de eerdere zaken en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen grond voor toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarbij de uniforme individuele inkomenstoeslag wordt gehandhaafd.