ECLI:NL:CRVB:2018:4061
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit individuele inkomenstoeslag zonder differentiatie naar leefvorm
Appellante heeft op 8 april 2016 een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam kende haar op 5 september 2016 een toeslag toe van €50,-, gebaseerd op de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016. Appellante maakte bezwaar tegen de hoogte van deze toeslag, stellende dat deze niet in verhouding staat tot het armoedebeleid en dat differentiatie naar leefvorm ontbreekt.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat de toeslag onevenredig is omdat gehuwden met kinderen minder bestedingsruimte hebben dan alleenstaanden, terwijl de toeslag voor alle leefvormen gelijk is. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat noch uit de wetsgeschiedenis van de Participatiewet noch uit die van de langdurigheidstoeslag in de Wet werk en bijstand blijkt dat de wetgever een minimum- of maximumhoogte van de toeslag heeft beoogd of differentiatie naar leefvorm.
De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin deze standpunten zijn bevestigd en concludeerde dat de Verordening met één toeslag voor alle leefvormen de terughoudende toetsing van het algemeen verbindende voorschrift kan doorstaan. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.