ECLI:NL:CRVB:2018:391
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vaste aanstelling na langdurige inzet via uitzendbureaus bij Universiteit van Amsterdam
Appellante was gedurende 20 jaar als docent werkzaam bij de Universiteit van Amsterdam, grotendeels via uitzendbureaus en met tijdelijke contracten. Per 1 augustus 2015 kreeg zij een tijdelijke aanstelling bij de UvA, met de mogelijkheid tot omzetting in een vaste aanstelling bij goed functioneren.
Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de ketenregeling en het opvolgend werkgeverschap uit artikel 7:668a BW niet van toepassing zijn op de overgang van uitzendbureaus naar de UvA. De periodes van werk via uitzendbureaus tellen niet mee voor een vaste aanstelling volgens de CAO Nederlandse Universiteiten. Payrolling wordt gelijkgesteld aan uitzendovereenkomsten.
Appellante stelde dat het college in strijd met goed werkgeverschap handelde door voorwaarden te verbinden aan de omzetting naar een vaste aanstelling, mede vanwege kritiek op haar functioneren. De Raad vond dit niet onredelijk en achtte het passend dat het functioneren als criterium werd gehanteerd.
Ook was er geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat appellante geen gelijke gevallen aannemelijk maakte. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de vaste aanstelling vóór 1 augustus 2015 bevestigd.