ECLI:NL:CRVB:2018:347
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening WAO-uitkering op grond van geen nieuwe feiten
Appellant, geboren in 1949 en voormalig werknemer met een dienstbetrekking die eindigde in 1999, heeft sinds 2010 meerdere verzoeken ingediend bij het UWV voor een WAO-uitkering. Het UWV stelde in 2011 vast dat appellant recht had op een WAO-uitkering vanaf 2009, maar beëindigde deze uitkering per 2012 omdat er geen sprake was van een reële ziekmelding vóór die datum. Appellant voerde bezwaar en beroep aan, maar deze werden ongegrond verklaard.
In 2016 diende appellant een nieuw verzoek in, gesteund door een rapport van een verzekeringsarts, waarin werd gesteld dat hij al sinds 1993 arbeidsongeschikt was voor zijn functie door autisme-gerelateerde beperkingen. Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die tot herziening konden leiden.
De rechtbank bevestigde dit standpunt en verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de situatie herbeoordeeld moest worden op basis van recente rechtspraak en het medische rapport. De Raad oordeelde echter dat de aangevoerde feiten niet nieuw waren, maar een andere beoordeling van reeds bekende omstandigheden. Het verzoek tot herziening werd daarom terecht afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van appellant ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.