Appellante, geboren in 1994 en lijdend aan spastische bilaterale cerebrale parese, vroeg om voortzetting van haar indicatie voor begeleiding in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp wees het verzoek af, stellende dat zij haar beperkingen kon verminderen met behulp van mantelzorg door haar ouders. De rechtbank bevestigde dit besluit.
In hoger beroep stelde appellante dat de zorg van haar ouders niet als mantelzorg kon worden aangemerkt omdat deze niet vrijwillig en onbetaald was. De Raad bevestigde dat mantelzorg alleen kan worden aangenomen indien de zorg onbetaald en vrijwillig wordt verleend. Omdat de ouders een betaling verlangden, was er geen sprake van mantelzorg. Hierdoor was het college ten onrechte van mening dat appellante geen maatwerkvoorziening behoefde.
De Raad vernietigde het besluit en stelde vast dat appellante recht heeft op een maatwerkvoorziening individuele begeleiding van 90 minuten per week in de vorm van een pgb, met terugwerkende kracht vanaf 25 februari 2015. De Raad oordeelde verder dat begeleiding bij paardrijden niet noodzakelijk is voor de maatwerkvoorziening en dat het pgb gebaseerd mag zijn op het wettelijk minimumuurloon voor een zorgverlener uit het sociale netwerk. Tevens werd het college veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en de proceskosten.