ECLI:NL:CRVB:2018:3246
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening Wajong-uitkering wegens onvoldoende nieuwe feiten
Appellant, geboren in 1994, vroeg in 2012 een Wajong-uitkering aan vanwege psychische klachten. Het UWV stelde vast dat hij in staat was ten minste 75% van het minimumloon te verdienen, waardoor geen recht op uitkering bestond. Latere aanvragen voor WIA en overstap naar de nieuwe Wajong werden eveneens afgewezen.
In 2015 verzocht appellant het UWV om terug te komen op het eerdere besluit, mede op grond van nieuwe rug- en buikklachten. Het UWV handhaafde het standpunt dat appellant geen recht heeft op een Wajong-uitkering, omdat hij voldoende verdiencapaciteit heeft. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat ook een herziening voor de toekomst had moeten worden overwogen. De Raad beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 4:6 Awb Pro en artikel 2:3 Wajong Pro 2010. De Raad concludeerde dat de nieuwe klachten geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vormen die tot een ander besluit leiden. Het UWV had de afwijzing voldoende gemotiveerd en zorgvuldig onderbouwd.
De Raad constateerde dat het besluit in eerste aanleg niet volledig zorgvuldig was gemotiveerd, maar dat dit geen nadeel voor appellant opleverde omdat het eindresultaat hetzelfde zou zijn geweest. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om terug te komen op het eerdere besluit wordt bevestigd.