Uitspraak
.De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber. Betrokkene is vertegenwoordigd door mr. Pothast.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene was ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op een adres waarover de minister studiefinanciering toekende als uitwonende student. Na een controle in november 2014 stelde de minister vast dat betrokkene niet op het BRP-adres woonde en herzag de studiefinanciering, met terugvordering van € 6.823,95, en legde een boete van € 3.411,97 op.
De rechtbank vernietigde deze besluiten en oordeelde dat betrokkene onomstotelijk had aangetoond dat zij tot september 2014 wel op het BRP-adres woonde. De minister ging in hoger beroep en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld en baseerde zich op reisgegevens die zouden aantonen dat betrokkene niet woonde op het BRP-adres.
De Raad oordeelde dat het rapport van de controle onrechtmatig verkregen bewijs bevat en niet gebruikt mag worden. De verklaring van betrokkene kon niet als bewijs dienen omdat zij niet deugdelijk was geïnformeerd over de gevolgen van haar verklaring. De reisgegevens boden onvoldoende feitelijke grondslag om het standpunt van de minister te ondersteunen. Daarom was het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd en kon de herziening en boete niet in stand blijven.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, herroept de besluiten van de minister en veroordeelde de minister in de proceskosten van betrokkene ten bedrage van € 1.002,-.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.