Uitspraak
14.947 ZW-G
Zeeland-West-Brabant van 6 januari 2014, 13/3212 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als inpakster in het kader van de Wet sociale werkvoorziening en viel op 22 februari 2012 volledig uit. Het UWV weigerde haar arbeidsongeschiktheidsuitkering per besluit van 13 maart 2013, omdat volgens verzekeringsartsen haar medische situatie was verbeterd en zij in staat zou zijn haar werk te hervatten. Appellante voerde aan dat zij ernstige beperkingen ondervond door een persoonlijkheidsstoornis en posttraumatische stressstoornis, ondersteund door een psychiatrisch rapport.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die een uitgebreid psychiatrisch en neuropsychologisch onderzoek verrichtte. De deskundige concludeerde dat appellante op 14 maart 2013 niet belastbaar was voor arbeid vanwege een chronische persoonlijkheidsstoornis en verslechterd functioneren na een ongeval in 2005.
De Raad volgde het deskundigenrapport en verwierp het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het besluit van het UWV ontbeerde een juiste medische grondslag en werd vernietigd. De Raad herroept het besluit en stelt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Daarnaast oordeelt de Raad dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase met ruim negen maanden is overschreden, waardoor appellante recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000,-. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand en reiskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens ontbrekende medische grondslag en appellante ontvangt een schadevergoeding van € 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.