Uitspraak
16.7862 WUBO
OVERWEGINGEN
BESLISSING
van € 500,-;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1942, vroeg in maart 2004 om toekenning op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Dit werd afgewezen omdat er geen bewijs was van excessief geweld of directe betrokkenheid bij beschietingen tijdens de Bersiap-periode. Een bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
In maart 2016 verzocht appellant om herziening van deze afwijzing. Verweerder handhaafde het besluit omdat appellant geen relevante nieuwe feiten of gegevens aanvoerde. De Raad toetste dit terughoudend en concludeerde dat er geen nieuwe omstandigheden waren die herziening rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat er geen bewijs was van internering of directe betrokkenheid bij beschietingen. De verklaringen van familieleden ondersteunden dit niet. Hoewel appellant als oorlogsslachtoffer werd erkend onder de ruimere criteria van de Algemene Oorlogsongevallenregeling, voldeed hij niet aan de strengere Wubo-criteria.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond, kende appellant een schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsprocedure, en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten van €250,50.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de Staat veroordeeld tot schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.