ECLI:NL:CRVB:2018:230
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing kostendelersnorm op bijstand voor bij ouders inwonende zoon niet onrechtmatig
Appellant ontving bijstand op basis van de Participatiewet en woonde bij zijn ouders met wie hij een schriftelijke huurovereenkomst had. Het college paste de kostendelersnorm toe, waardoor zijn bijstand werd verlaagd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de kostendelersnorm dwingendrechtelijk is en dat de uitzondering voor woningdelers met een zakelijke huurovereenkomst niet geldt voor bloedverwanten in de eerste of tweede graad, zoals appellant. Het beroep op discriminatie op grond van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) faalde omdat het onderscheid een legitiem doel dient en proportioneel is.
Appellant stelde dat zijn ouders door de norm gedwongen worden hem te onderhouden, maar dit werd niet als onrechtmatig beschouwd. Ook de claim dat de norm zijn eigendomsrecht schendt werd verworpen, omdat de inmenging wettelijk is voorzien, een legitiem doel dient en proportioneel is. Verder slaagde het beroep op internationale sociale grondrechten niet omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij onder het bestaansminimum leeft.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm en wijst het hoger beroep af.