ECLI:NL:CRVB:2018:1381
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot eerdere verhoging WAO-uitkering en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellant verzocht om een eerdere verhoging van zijn WAO-uitkering dan de door het UWV gehanteerde ingangsdatum van 20 augustus 2008 en om vergoeding van materiële en immateriële schade. Het UWV had het verzoek om verhoging op grond van hulpbehoevendheid aanvankelijk afgewezen, waarna appellant beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, maar wees het verzoek om schadevergoeding af wegens onvoldoende causaal verband en gebrek aan onderbouwing.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij vanwege zijn hulpbehoevendheid niet eerder zelfstandig een aanvraag kon indienen en dat de vertraging in de verhoging van zijn uitkering tot financiële problemen leidde, waaronder het niet tijdig betalen van huur. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een bijzonder geval dat een eerdere ingangsdatum rechtvaardigt. Ook werd bevestigd dat de wettelijke rente reeds was betaald en dat er geen grond was voor een hogere schadevergoeding.
Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd geoordeeld dat de procedure niet leidde tot extra spanning of frustratie, omdat deze samen met andere procedures werd behandeld die hetzelfde onderwerp betroffen. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om eerdere verhoging van de WAO-uitkering en om schadevergoeding wordt afgewezen; de verhoging gaat in op 20 augustus 2008.