ECLI:NL:CRVB:2017:1306
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van weigering schadevergoeding buiten wettelijke rente bij onrechtmatig WW-besluit
Appellant was tot eind januari 2012 werkzaam en vroeg vervolgens een WW-uitkering aan. Het UWV besloot dat appellant verwijtbaar werkloos was en weigerde de uitkering. Na bezwaar en beroep werd dit besluit onrechtmatig verklaard en werd alsnog een WW-uitkering toegekend. Appellant vroeg vervolgens een schadevergoeding voor diverse kosten die hij maakte door de vertraging in de uitkering.
Het UWV erkende de onrechtmatigheid en betaalde wettelijke rente over de vertraging, maar weigerde verdere schadevergoeding. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat alleen wettelijke rente verschuldigd is volgens artikel 6:119 BW Pro.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat er geen sprake was van vertraging maar van twee aparte besluiten, en dat hij recht had op volledige schadevergoeding. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de wettelijke rente de volledige schadevergoeding voor vertraging omvat en bevestigde het oordeel van de rechtbank.
De Raad stelde vast dat het UWV de onrechtmatigheid erkende en dat de toerekening aan het bestuursorgaan gegeven is. Alle schadeposten van appellant vloeien voort uit de vertraging in de uitbetaling van de geldsom, waarvoor alleen wettelijke rente vergoed hoeft te worden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraak bevestigd dat alleen wettelijke rente vergoed wordt bij vertraging in uitbetaling WW-uitkering.