ECLI:NL:CRVB:2017:492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing indicatie Wet langdurige zorg voor niet-verzekerde vreemdeling
Appellante, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland, vroeg op 2 november 2015 bij het CIZ een indicatie aan voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees deze aanvraag af omdat appellante geen verzekerde is in de zin van de Wlz. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond en oordeelde dat niet-verzekerden zich rechtstreeks tot zorgaanbieders kunnen wenden voor medisch noodzakelijke zorg, waarbij artikel 122a van de Zorgverzekeringswet (Zvw) voorziet in een vergoedingsregeling.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het CIZ wel verplicht is om te indiceren en dat de weigering tot indicatie de toegang tot zorg belemmert, wat in strijd zou zijn met internationale verdragen, met name artikel 8 EVRM Pro. De Raad verwierp deze gronden en onderschreef de overwegingen van de rechtbank. De Raad benadrukte dat de Wlz en de daarop gebaseerde regelgeving expliciet bepalen dat alleen verzekerden door het CIZ geïndiceerd worden en dat niet-verzekerden via zorgaanbieders toegang tot zorg kunnen verkrijgen.
De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat de vergoedingsregeling van artikel 122a Zvw binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de Staat valt en de toegankelijkheid van medisch noodzakelijke zorg niet in het algemeen belemmert. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wlz-indicatieaanvraag omdat appellante geen verzekerde is en oordeelt dat zij zich zonder indicatie tot zorgaanbieders kan wenden.