ECLI:NL:CRVB:2017:3944
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budget AWBZ na vermeende fraude
Appellante ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg op grond van de AWBZ. Het Zorgkantoor keurde de verantwoording van het pgb over de eerste helft van 2013 af en stelde het pgb op nihil vast, waarna het betaalde voorschotten terugvorderde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij slachtoffer was van fraude door haar zorgverlener, die de pgb-administratie vervalst zou hebben en geen zorg zou hebben verleend. De Raad oordeelde dat het Zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen omdat appellante niet voldeed aan de administratieve verplichtingen. De bescherming van budgethouders tegen fraude speelt alleen bij de invordering, niet bij de vaststelling.
De Raad benadrukte dat de verantwoordelijkheid voor de verantwoording van het pgb bij de budgethouder ligt, ook als het beheer is uitbesteed. Het beroep tegen het vaststellings- en terugvorderingsbesluit werd ongegrond verklaard. Het Zorgkantoor werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugvorderingsbesluit van het pgb wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak wordt vernietigd.