ECLI:NL:CRVB:2017:3063
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering pgb ondanks fraude door zorgverlener
Appellant, geïndiceerd voor AWBZ-zorg en begunstigde van een pgb van ruim €50.000 in 2013, kreeg de verantwoording van de besteding van het pgb door het Zorgkantoor afgekeurd. Het Zorgkantoor stelde het pgb definitief lager vast en vorderde het te veel ontvangen bedrag van circa €24.752 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd overwogen dat het feit dat appellant slachtoffer was van een frauderende zorgverlener niet tot een lagere vaststelling van het pgb kon leiden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet verantwoordelijk gehouden mocht worden voor de ondeugdelijke administratie en dat de belangenafweging anders had moeten uitvallen.
De Raad oordeelde dat het besluit van het Zorgkantoor een vaststellings- en terugvorderingsbesluit is en dat de bescherming van de budgethouder tegen frauduleuze zorgverleners niet in deze bestuursrechtelijke procedure kan worden betrokken, maar in de invorderingsfase of civiele procedure. Het Zorgkantoor mocht het pgb lager vaststellen wegens niet-naleving van de verantwoordingsplicht en de terugvordering is terecht. De belangenafweging door het Zorgkantoor was proportioneel, waarbij de eigen verantwoordelijkheid van appellant voor de besteding van het pgb centraal staat, ook als het beheer door een derde werd gedaan.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het terugvorderingsbesluit bevestigd.