Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:3891

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 november 2017
Publicatiedatum
9 november 2017
Zaaknummer
17/2241 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 PWArt. 18 lid 1 PWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstandsnorm naar 50% gehuwdennorm zonder individuele afstemming

Appellante ontvangt sinds 2012 bijstand en woonde samen met een niet-rechthebbende partner. Het college verlaagde haar bijstandsnorm per 1 juli 2016 naar 50% van de gehuwdennorm op grond van de gewijzigde Participatiewet. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze verlaging ongegrond, stellende dat geen zeer bijzondere omstandigheden waren aangetoond die een individuele afstemming rechtvaardigen.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door de verlaging in financiële problemen kwam en haar gezinsleven zou moeten beëindigen. De Raad oordeelde dat deze stellingen onvoldoende met concrete gegevens waren onderbouwd en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Ook werd geoordeeld dat er geen ontoelaatbare inbreuk op het recht op respect voor het gezinsleven was.

De Raad concludeerde dat de verlaging van de bijstandsnorm rechtmatig is en dat appellante geen recht heeft op een hogere uitkering of individuele afstemming. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De verlaging van de bijstandsnorm naar 50% van de gehuwdennorm wordt bevestigd zonder individuele afstemming.

Uitspraak

17.2241 PW

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 februari 2017, 16/7742 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
Datum uitspraak: 7 november 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. El Bellaj, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend en een nadere reactie ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2017. Namens appellante is mr. El Bellaj verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 18 juli 2012 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Bij besluit van 4 juli 2014 heeft het college de bijstandsnorm van appellante met toepassing van artikel 24 van Pro de PW, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2016, per 1 april 2014 gewijzigd naar de norm voor een alleenstaande ouder met een
niet-rechthebbende partner, omdat appellante is gaan samenwonen met [naam A] (A) die geen rechtmatig verblijf houdt in Nederland. Uit de brief van het Zorg- en Veiligheidshuis Tilburg van 26 februari 2015 en de vermelding in de Rapportage Heronderzoek van 1 juli 2016 dat in september 2015 nog een kindje is geboren, blijkt dat appellante met A drie minderjarige kinderen heeft.
1.2.
In verband met de wijziging van artikel 24 van Pro de PW per 1 januari 2016, heeft het college bij besluit van 23 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 augustus 2016 (bestreden besluit), de bijstandsnorm van appellante per 1 juli 2016 verlaagd naar 50% van de gehuwdennorm. Het college heeft daarbij geen aanleiding gezien om de bijstand af te stemmen met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW op de grond dat daarmee het uitgangspunt van artikel 24 van Pro de PW wordt doorkruist dat aan de niet-rechthebbende partner geen bijstand toekomt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang en samengevat, het volgende overwogen. In het gewijzigde artikel 24 van Pro de PW heeft de wetgever aangesloten bij het principe van de kostendelersnorm door te regelen dat bij gehuwden van wie een echtgenoot geen recht op algemene bijstand heeft en waarbij geen sprake is van kostendelende medebewoners, de norm voor de rechthebbende echtgenoot gelijk is aan 50% van de gehuwdennorm. Het college is op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW gehouden de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492) is voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging dan wel een verhoging van de bijstand slechts plaats in zeer bijzondere situaties. De door appellante naar voren gebrachte omstandigheden leveren geen zeer bijzondere situatie op als hiervoor bedoeld. Appellante heeft niet met controleerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat een onhoudbare financiële situatie is ontstaan of dreigt te ontstaan. Reeds hierom bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit een ontoelaatbare inbreuk vormt op het recht van appellante op respect voor haar gezinsleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellante, samengevat, het volgende aangevoerd. Er is wel sprake van een zeer bijzondere situatie, omdat zij is aangewezen op een lagere bijstandsuitkering terwijl de vaste lasten hoger zijn dan die uitkering. Zij komt daardoor in financiële problemen. Dit is evident, zodat zij haar financiële situatie niet aannemelijk hoeft te maken. Verder is zij gedwongen haar gezinsleven te beëindigen om een hogere bijstandsuitkering te ontvangen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd. Ook in hoger beroep heeft appellante de grond dat sprake is van financiële problemen niet met concrete gegevens onderbouwd. De enkele stelling dat haar financiële situatie evident is, is daartoe niet toereikend. De beroepsgrond dat sprake is van een ontoelaatbare inbreuk op het recht op respect voor het gezinsleven van appellante als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, slaagt om die reden evenmin. Omdat appellante niet met controleerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat een onhoudbare situatie is ontstaan of dreigt te ontstaan, heeft zij ook niet aannemelijk gemaakt dat zij gedwongen is haar gezinsleven met A te beëindigen.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een vergoeding in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en
M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2017.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) J.M.M. van Dalen

HD