ECLI:NL:CRVB:2017:3298
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing kostendelersnorm bij bijstand ondanks huurovereenkomst met aanverwant tweede graad
Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en woont samen met zijn zus en zwager op het uitkeringsadres. Hoewel appellant vanaf november 2015 huur betaalt aan zijn zwager, heeft het college de kostendelersnorm ongewijzigd toegepast omdat de huurovereenkomst niet voldoet aan de voorwaarden voor een commerciële relatie en de zwager een aanverwant in de tweede graad is.
De rechtbank heeft het bezwaar van appellant tegen deze toepassing ongegrond verklaard, en in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overweegt dat de kostendelersnorm dwingendrechtelijk is en dat de wettelijke uitzondering voor commerciële huurrelaties niet van toepassing is bij huurovereenkomsten met aanverwanten in de eerste of tweede graad.
Appellant voerde aan dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van anderen met een huurovereenkomst met niet-aanverwanten, maar de Raad oordeelt dat deze beperking objectief gerechtvaardigd en proportioneel is vanwege fraudegevoeligheid en het voorkomen van schijnconstructies binnen familieverbanden.
Verder heeft appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat bijzondere omstandigheden tot maatwerkafstemming van de bijstand noodzaken. Ook het beroep op het eigendomsrecht uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens faalt omdat de inmenging wettelijk is voorzien en een legitiem algemeen belang dient.
De Raad bevestigt daarom de toepassing van de kostendelersnorm en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm en wijst het hoger beroep af.