ECLI:NL:CRVB:2017:3052
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling veronderstelde ouderlijke bijdrage studiefinanciering bij gescheiden ouders
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Onderwijs waarin de veronderstelde ouderlijke bijdrage voor zijn dochter is vastgesteld op basis van het belastbaar loon van beide ouders. De Raad overweegt dat de vaststelling van deze bijdrage voortvloeit uit dwingendrechtelijke bepalingen van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
De Raad oordeelt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor het toetsingsinkomen van de ouders als basis, waarbij het besteedbaar inkomen en de leefsituatie van gescheiden ouders niet worden meegenomen, behalve in de uitdrukkelijk genoemde omstandigheden. Het beroep op onredelijkheid vanwege alimentatieplicht en laag inkomen faalt, omdat de rechter niet bevoegd is de billijkheid van de wet te toetsen.
Verder stelt de Raad dat de veronderstelde ouderlijke bijdrage slechts een rekeneenheid is voor de bepaling van de aanvullende beurs en geen afdwingbare bestemming heeft, zodat geen inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht van appellant. Ook is geen schending van het recht op gezinsleven of enig verdragsrecht vastgesteld.
Daarom bevestigt de Raad de aangevallen uitspraken van de rechtbank en wijst het beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage en wijst het hoger beroep af.