ECLI:NL:CRVB:2017:267
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WIA-uitkering bij 62,89% arbeidsongeschiktheid ondanks beroep appellante
Appellante, voormalig beleidsmedewerker, meldde zich ziek met hart- en vermoeidheidsklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde aanvankelijk dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, maar na bezwaar werd dit percentage verhoogd naar 37,68% met een werkcapaciteit van 6 uur per dag. De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige die concludeerde dat appellante 4 uur per dag en 20 uur per week kon werken, wat leidde tot een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een herberekening van het verlies aan verdiencapaciteit op 62,89%.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de urenbeperking onvoldoende onderbouwd was en dat haar concentratievermogen en de aard van de geselecteerde functies ongeschikt waren. Ook stelde zij dat haar diagnose ASS extra beperkingen opleverde. Het UWV leverde aanvullende rapporten van deskundigen die de eerdere conclusies bevestigden.
De Raad oordeelde dat de deskundige zorgvuldig en overtuigend had gemotiveerd dat appellante in staat was om 4 uur per dag arbeid te verrichten, waarbij privé-activiteiten buiten beschouwing blijven. De beperkingen in de FML en de geschiktheid van de geselecteerde functies werden bevestigd. De diagnose ASS, gesteld na de relevante datum, bood geen grond voor heroverweging. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en de WIA-uitkering bij 62,89% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.