ECLI:NL:CRVB:2016:1942
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- R.E. Bakker
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering en beoordeling zorg voor kinderen buiten arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
Appellante, die sinds 2007 een WIA-uitkering ontving wegens psychische aandoeningen, werd in 2012 herbeoordeeld en haar uitkering beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast in haar functioneren, waaronder een urenbeperking tot 30 uur per week vanwege therapie, maar hield geen rekening met de zorg voor kinderen bij de beoordeling.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische beperkingen en de zorg voor haar kinderen onvoldoende waren meegewogen, en dat er geen overleg was geweest met haar behandelaar. De Raad benoemde een onafhankelijke psychiater die de beperkingen bevestigde, maar eveneens concludeerde dat de zorg voor kinderen buiten de beoordeling moest blijven volgens vaste rechtspraak.
De Raad volgde deze lijn en bevestigde dat de urenbeperking van 30 uur niet toereikend was om de combinatie met kinderzorg te waarborgen, maar dat dit laatste geen onderdeel is van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd daarmee bevestigd.
Daarnaast oordeelde de Raad dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, waardoor de Staat een schadevergoeding van €500 aan appellante moest betalen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering en kent een schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.