ECLI:NL:CRVB:2017:2641
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet gemelde eigendom onroerend goed in Turkije en aangepaste boete wegens gewone verwijtbaarheid
Appellanten ontvingen sinds 1997 bijstand en werden onderzocht nadat bleek dat zij onroerend goed in Turkije bezaten dat niet was gemeld. Het college trok de bijstand in over de periode 4 april 2008 tot 18 juli 2013 en vorderde terugbetaling van €49.743,92. Tevens legde het college een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting, aanvankelijk gebaseerd op opzet.
De rechtbank had de boete verlaagd maar bleef uitgaan van opzet. De Centrale Raad oordeelt dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden omdat zij redelijkerwijs moesten weten dat het onroerend goed van invloed was op hun recht op bijstand. Appellanten slaagden er niet in aannemelijk te maken dat zij niet over het vermogen konden beschikken.
De Raad vernietigt het oordeel over de boete dat uitgaat van opzet en stelt vast dat sprake is van gewone verwijtbaarheid, waardoor de boete wordt verlaagd tot €3.485,18. De intrekking van de bijstand en de terugvordering blijven gehandhaafd. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: De bijstand wordt ingetrokken en teruggevorderd, de boete wordt verlaagd tot €3.485,18 wegens gewone verwijtbaarheid.