ECLI:NL:CRVB:2017:2088
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Pensioen van ABP als inkomen in mindering op bijstand volgens WWB
Appellante ontving bijstand en bereikte op 13 december 2014 de leeftijd van 65 jaar, waarna zij een maandelijkse pensioenuitkering van het ABP ontving. Het college bracht dit pensioenbedrag in mindering op haar bijstand, wat zij betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat het ontvangen pensioen maandelijks wordt uitgekeerd en derhalve als inkomen in de zin van artikel 32 lid 1 WWB Pro moet worden beschouwd, niet als vermogen. De vrijlating op grond van artikel 33 lid 5 WWB Pro is niet van toepassing omdat appellante de pensioengerechtigde leeftijd zoals bedoeld in de AOW pas in maart 2015 bereikte. De Raad wijst het beroep af dat het pensioen als vermogen zou moeten worden aangemerkt of dat een ruimere interpretatie van de vrijlating mogelijk is.
Ook de stelling dat het in mindering brengen van het pensioen onredelijk zou zijn, wordt verworpen. De bijstand is complementair en voorziet slechts in aanvulling tot een minimuminkomen. De Raad bevestigt dat het college het pensioenbedrag terecht heeft verrekend met de bijstand en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het pensioen wordt terecht als inkomen in mindering gebracht op de bijstand.