ECLI:NL:CRVB:2007:BA9171
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstandsuitkering bij eenmalige uitbetaling nabestaanden- en wezenpensioen
Appellante ontvangt sinds 27 februari 2001 een bijstandsuitkering. Na het overlijden van haar ex-echtgenoot in oktober 2002 ontving zij een eenmalige uitbetaling van een nabestaandenpensioen en haar dochter een wezenpensioen, beide bruto bedragen die netto werden ontvangen. Het College had deze bedragen als inkomen meegenomen zonder vast te stellen voor welke periode deze eenmalige uitkeringen bestemd waren.
De rechtbank vernietigde het besluit van het College wegens onduidelijke bevoegdheidsgrondslag, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellante ging hiertegen in hoger beroep. De Raad oordeelt dat het pensioen als inkomen moet worden toegerekend aan de periode waarvoor het bestemd is, bijvoorbeeld tot de pensioengerechtigde leeftijd van appellante of tot haar dochter 18 jaar wordt.
Het College heeft onvoldoende rekening gehouden met deze toerekening en heeft daardoor artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB onjuist toegepast. De Raad vernietigt daarom het bestreden deel van de uitspraak en beveelt het College een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Vergoeding van het griffierecht wordt aan appellante toegekend.
Uitkomst: Het besluit van het College wordt vernietigd en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen rekening houdend met de juiste toerekening van het pensioen.