Appellanten, beiden gepensioneerd en hertrouwd sinds 18 juni 2012, verzochten de Sociale verzekeringsbank (Svb) om ieder een ouderdomspensioen toe te kennen volgens de norm voor ongehuwden. De Svb wees dit af omdat zij gehuwd zijn en niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij duurzaam gescheiden leven, zoals vereist in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet (AOW).
De rechtbank Noord-Holland verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond, omdat niet ondubbelzinnig bleek dat zij duurzaam gescheiden leven. Appellanten voerden aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voeren, ver uit elkaar wonen en het huwelijk vooral is gesloten om testamentaire redenen.
De Centrale Raad oordeelt dat het feit dat appellanten regelmatig contact onderhouden, samen weekenden doorbrengen en vakanties vieren, niet verenigbaar is met duurzaam gescheiden leven. Ook het huwelijk wijst op onderlinge zorg. De Raad bevestigt dat het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden in de sociale zekerheid gerechtvaardigd is en dat de wetgever ruime beoordelingsvrijheid heeft.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraken en wijst het hoger beroep af. Er is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel of discriminatieverbod. Partijen kunnen tegen deze uitspraak cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.