ECLI:NL:CRVB:2017:1701
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WW-uitkering wegens ontbreken gezagsverhouding tussen appellant en pizzeria-eigenaar
Appellant vroeg op 12 januari 2015 een WW-uitkering aan na het faillissement van de pizzeria waarvan [naam A] de eigenaar was. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant niet als werknemer kon worden aangemerkt vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding. De rechtbank Noord-Nederland bevestigde dit oordeel in haar uitspraak van 17 december 2015.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte het oordeel van het UWV volledig overnam en dat er wel degelijk sprake was van een gezagsverhouding, met name vóór het vertrek van [naam A]. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat uit het bestreden besluit niet bleek dat het UWV een gezagsverhouding vóór het vertrek van [naam A] erkende en dat de rechtbank terecht het gehele geschil heeft beoordeeld.
De Raad analyseerde de feiten, waaronder verschillende overeenkomsten, verklaringen van betrokkenen en de feitelijke gedragingen van partijen. Uit deze feiten bleek dat appellant de feitelijke leiding had over de pizzeria en dat [naam A] slechts op papier eigenaar was. Er was geen aanwijzing dat appellant ondergeschikt was aan [naam A]. Hierdoor ontbrak het essentiële element van een gezagsverhouding voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en het UWV dat appellant geen werknemer was en dus geen recht had op een WW-uitkering. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 26 april 2017.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op WW-uitkering omdat geen gezagsverhouding bestond en hij geen werknemer was.