Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 990,-;
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand van januari 2010 tot augustus 2013 en gaf als woonadres een woning op in de gemeente. Na onderzoek door de sociale recherche bleek dat appellant zijn hoofdverblijf niet in die gemeente had, wat niet was gemeld. Het college trok de bijstand over de periode 2011-2013 in en vorderde deze terug, en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank vernietigde deels de besluiten en ging uit van opzet bij appellant, wat leidde tot een hoge boete. In hoger beroep betwistte appellant de schending en stelde dat hij vanwege medische omstandigheden regelmatig elders verbleef, en dat getuigenverklaringen niet objectief waren. De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht de intrekking en terugvordering handhaafde, maar dat er geen sprake was van opzet, slechts normale verwijtbaarheid.
De Raad matigde daarom de boete van €7.630 naar €1.179,44, rekening houdend met de financiële situatie van appellant die een bijstandsuitkering ontvangt. Tevens werd het beroep tegen het nader besluit ongegrond verklaard en het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Intrekking en terugvordering bijstand bevestigd; boete gematigd tot €1.179,44 wegens normale verwijtbaarheid en draagkracht appellant.